Een bijzondere kolgansfamilie

Dat ganzen over het algemeen een sterke familieband hebben is bekend. Maar enige tijd geleden kwamen wij een wel heel bijzondere ganzenfamilie tegen. Tijdens het zoeken naar ganzen in de Polder Groot-Mijdrecht nabij de Vinkeveense Plassen op 30 december 2011 kwamen we vier Kolganzen tegen die waren uitgerust met een zwarte halsband (codes: YJT, YJV, YJZ en YRA).

Bij het thuis invoeren van de aflezingen in de website geese.org bleek pas dat er toch wel wat bijzonders met deze vogels was. Het bleek een familie te zijn die op de kop af een jaar eerder werd geringd in de omgeving van Oss en de twee jongen van toen, een mannetje en een vrouwtje, trokken een jaar later nog steeds met hun ouders op!

Dat Kolganzen tijdens hun eerste winter bij hun ouders blijven is normaal, maar dat ze dit in hun tweede winter nog altijd doen is toch wel uitzonderlijk. En als dat dan kan worden aangetoond door middel van halsbanden is dat helemaal bijzonder.

Die winter kwamen we de familie nog tweemaal tegen. De moeder en dochter van het gezinnetje worden nog altijd regelmatig in de Polder Groot-Mijdrecht waargenomen, de vader en zoon zijn sinds maart 2012 niet meer waargenomen en mogelijkerwijs dus verongelukt op de terugweg naar de Siberische broedgebieden.

1 P1010885 Kolgans familie

2 P1010881 Kolgans familie

Weerzien met een oude bekende

Gister kreeg ik samen met een aantal andere lotgenoten een mail van ringer Frank Majoor: Kokmeeuw wit E8JA was weer gezien in Utrecht! In 2007 al geringd in Malmö en in 2010 kreeg ie zijn kleurring erbij, in Amsterdam. Sindsdien wordt ie bijna elk jaar wel gezien in Kanaleneiland, maar er zijn ook waarnemingen uit de regio Leiden/Den Haag en een paar jaar geleden was er een stoere maartse waarneming in Harlingen, tijdens de terugtrek naar het noorden dus. In 2011 was dit de eerste Kokmeeuw die ik ooit aflas. En ja hoor, vanmorgen was hij er nog. Fijn om hem nu weer tegen te komen!

E8JA groot
Kokmeeuw wit E8JA, Kanaleneiland Utrecht, 4 november 2015 (klik op de foto voor groot formaat).
De levensgeschiedenis van E8JA, bijgewerkt tot en met oktober 2015.
De levensgeschiedenis van E8JA, bijgewerkt tot en met oktober 2015 (klik op de afbeelding voor groot formaat).

Baltische Mantelmeeuw in Noordwijk aan Zee

Op 16 juni 2013 zag ik samen met Mars Muusse een 2kj Baltische Mantelmeeuw (Larus fuscus fuscus) tussen duizenden meeuwen bij de zandsuppletiewerkzaamheden in Noordwijk aan Zee. Na circa 2 minuten vloog de vogel helaas uit beeld, maar op 18 en 20 juni werd hij opnieuw waargenomen. Op 22 juni bleken hier zelfs nog twee andere eerste-zomer vogels aanwezig te zijn.

Determinatie
De vogel heeft vers geruide, glanzend zwarte handpennen met afgeronde toppen. Op de foto’s zijn alleen de buitenste 5 handpennen zichtbaar, maar ook de binnenste handpennen, armpennen en staart zijn in het overwinteringsgebied geruid. Het gehele verenkleed is dus al minstens eens vervangen; de complete set tweede generatie handpennen past alleen op fuscus en sluit graellsii/intermedius feitelijk al uit. Tweederde van alle fuscus ondergaan namelijk een complete rui in hun eerste winter, waardoor ze in het voorjaar relatief makkelijk te herkennen zijn aan het vergevorderde, verse kleed (Altenburg et al. 2011). Dit in tegenstelling tot graellsii en intermedius, die in hun eerste zomer pas een volledige rui meemaken en in juni dus nog rondvliegen met juveniele handpennen van bijna een jaar oud. Naast het vergevorderde kleed kan 2kj fuscus een gele snavel (soms al met rode gonysvlek), rode oogring en fletsgele poten hebben. Hierdoor ligt zelfs verwarring met een 3kj graellsii/intermedius op de loer! Daarnaast vertoont de waargenomen meeuw een mix van adult-type en gesleten donkerbruine schouder- en dekveren, beide egaal donker zonder bandering. De bruine tint, witte kop en onderdelen en slanke bleekroze snavel met zwarte band zijn ook typisch voor een fuscus van deze leeftijd.

2kj Baltische Mantelmeeuw, Noordwijk aan Zee, 16 juni 2013

Een filmpje van de vogel door Jeroen Nagtegaal is hier te bekijken. Hierop is de vogel ook goed te vergelijken met Kleine Mantel- en Zilvermeeuwen.

Status
De status en criteria voor aanvaarding van de Baltische Mantelmeeuw kennen in Nederland een roerige geschiedenis. In 1998 werd aan fuscus soortstatus toegekend (Sangster et al. 1998). Er was op dat moment al enige jaren een toegenomen interesse van vogelaars voor dit taxon (Hoogendoorn & van Scheepen 1998), maar door de split kon fuscus rekenen op nog meer belangstelling. In januari 2004 besloot de Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna (CDNA) ‘door nieuwe inzichten ten aanzien van de determinatie van Kleine Mantelmeeuw Larus fuscus intermedius (…) alle eerder aanvaarde gevallen van Baltische Mantelmeeuw L f fuscus af te voeren, behalve van geringde vogels waarvan de herkomst met zekerheid kon worden afgeleid’ (DB 26: 52). Alleen vogels die als kuiken waren geringd op de broedplekken (Finland en Noord-Noorwegen) werden nog aanvaardbaar geacht. Diezelfde maand degradeerde fuscus weer van soort naar ondersoort (DB 26: 49-51). In 2011 verscheen vervolgens een baanbrekend artikel over de herkenning van 2kj fuscus, met daarin het advies om ook ongeringde vogels die aan (een combinatie van) essentiële kenmerken voldoen te aanvaarden. In september 2012 nam de CDNA deze aanbeveling over, waarmee ‘niet langer alleen geringde vogels van bewezen geografische herkomst in aanmerking komen voor aanvaarding, maar ook 2kj vogels in het voorjaar die voldoen aan de in het (…) artikel beschreven kenmerken’ (DB 34: 320).

De meeuw van Noordwijk is door de CDNA aanvaard als het ca. 17e geval voor Nederland. Het betrof de eerste ongeringde fuscus die werd aanvaard nadat de commissie de conclusies uit Altenburg et al. heeft overgenomen; tevens was het het eerste aanvaarde geval voor de provincie Zuid-Holland.

2kj Baltische Mantelmeeuw met Kleine Mantelmeeuw, Noordwijk aan Zee, 18 juni 2013 (foto Albert de Jong)

Meer informatie
Gull-research.org

Literatuur
R G M Altenburg, I Meulmeester, M J M Muusse, T O V Muusse & P A Wolf (2011). Field identification criteria for second calendar-year Baltic Gull. Dutch Birding 33: 304-311.

W Hoogendoorn & P van Scheepen (1998). Status van Baltische Mantelmeeuw in Nederland. Dutch Birding 20: 6-10.

G Sangster, C J Hazevoet, A B van den Berg & C S Roselaar (1998). Dutch avifaunal list: species concepts, taxonomic instability, and taxonomic changes in 1998. Dutch Birding 20: 22-32.

Kleurafwijkingen

Hieronder een compilatie van vogels met kleurafwijkingen, in het wild in Nederland waargenomen gedurende de afgelopen twee jaar.

Met de klok mee: Tafeleend, Botshol, 27 oktober 2013 (Robert van der Meer), Kokmeeuw, Barneveld, 28 december 2012, Bergeend, Biesbosch, 6 april 2014 (Robert van der Meer), Scholekster, Texel, 15 oktober 2012 (Peter van der Meer)
Met de klok mee: Tafeleend, Botshol, 27 oktober 2013 (Robert van der Meer); Kokmeeuw, Barneveld, 28 december 2012; Bergeend, Biesbosch, 6 april 2014 (Robert van der Meer); Scholekster, Texel, 15 oktober 2012 (Peter van der Meer)

Oosterse Vorkstaartplevier!

Gistermiddag, 7 september 2014, werd door de Belg Kris de Rouck bij het Zeeuwse Oud-Vossemeer een vorkstaartplevier gevonden die aanvankelijk als Steppevorkstaartplevier en later als Vorkstaartplevier werd gemeld. Snel nadat de eerste foto’s verschenen werd echter duidelijk dat het toch echt die andere vorkstaartplevier, de Oosterse Vorkstaartplevier, moest zijn, een soort die pas één keer eerder in Nederland was gezien (van 1 tot 5 augustus 1997 nabij het Friese Doniaburen). Veel twitchers hebben die vogel ondanks het lange verblijf destijds gemist omdat er veel onbekendheid was met de kenmerken van deze soort, als gevolg daarvan onduidelijkheid over de determinatie, en na zelfs eerst aanvaard te zijn geweest als Vorkstaartplevier werd het geval pas negen jaar na de waarneming aanvaard als Oostelijke Vorkstaartplevier (Driessens & Zekhuis, 2007).

Nadat de vogel gisteravond niet meer werd gezien, vond Diederik Kok de vogel om kwart over acht ’s ochtends knap terug op grote afstand. Maurice Elf en ik kwamen op dat moment toevallig net aanrijden vanuit Vianen en zagen slechts één vogelaar op de dijk staan, die toen hij ons zag begon te wuiven. We vielen dus met onze neus in de boter. Eerst was Maurice een blik gegund en daarna mocht ik de vogel als derde waarnemer van de dag aanschouwen; na ongeveer twee minuten kwamen van alle kanten vogelaars aangerend.

Nadat iedereen die in de buurt aan het zoeken was, gearriveerd was en de vogel had gezien, liepen we met zijn allen een stuk naar de vogel toe om hem van dichterbij te kunnen bekijken. Uiteindelijk was de vogel tot op een meter of 200 fraai waar te nemen met een opkomend zonnetje schuin in de rug en de voeten stevig in de Zeeuwse klei. Met name de roodbruine ondervleugel en de korte staart waren goed te zien. Regelmatig liet de Oosterse Vorkstaartplevier ook van zich horen: twee typen roepjes waarbij we vanwege de afstand de vogel eerst zagen roepen alvorens het ook daadwerkelijk te horen! Verder zat de vogel rustig op een oever en bleef in dezelfde vierkante meter een beetje om zich heen kijken, zo nu en dan een paar passen lopend, daarbij soms in de lucht happend, zich drukkend, poetsend en soms strekkend. We hoopten met zijn allen dat de vogel op zou vliegen als hij weer eens een plotselinge beweging maakte of als er een Oeverloper of Wilde Eend voorbij kwam, maar dat duurde uiteindelijk nog ruim een uur. Het was echter geen straf om in spanning af te wachten wat de vogel zou gaan doen terwijl ik hem ondertussen in beeld hield en met wat bekenden én onbekenden een praatje maakte. Bijna twee uur na de eerste waarneming vloog de plevier om 10.16 dan eindelijk op richting de oude plek, het Stinkgat, een moment dat ik helaas net miste, maar dat mocht de pret niet drukken.

De locatie van de vogel, met uiterst rechts Dick Groenendijk die het geluid dat de vogel regelmatig maakt probeert op te nemen.
De locatie van de vogel, met uiterst rechts Dick Groenendijk die het geluid dat de vogel regelmatig maakt probeert op te nemen.

Toen de vogel definitief was vertrokken, wandelden Maurice en ik rustig terug naar de auto en toen de Oosterse Vorkstaartplevier al snel in het Stinkgat (passende naam!) werd gemeld besloten we daar nog even een halfuurtje aan de vogel te spenderen. Dat pakte goed uit: nadat we het gebiedje hadden gevonden, bleek de vogel daar regelmatig fraaie vliegshows weg te geven. Af en toe landde hij even op de kant tussen de Kieviten en Spreeuwen, maar de vogel joeg vooral. Hij vloog dan op wisselende hoogte op de bekende vorkstaartplevierenmanier en liet daarbij zowel de boven- als de ondervleugel mooi zien. Andere leuke soorten: Kleine Zilverreiger, Paapje en Boompieper. Nadat de vogel weer eens achter een Kievit was neergestreken reden Maurice en ik terug richting Vianen en om kwart over één was ik weer thuis, een mega én een ervaring rijker.

De lijn twitchers.
Een gedeelte van de lijn twitchers.

Literatuur

Driessens, G. & Zekhuis, M. (2007). Oosterse Vorkstaartplevier bij Doniaburen in augustus 1997. Dutch Birding 29: 19-25.

Een Stormmeeuw met lichte iris

Op 17 januari 2013 nam ik tijdens een vorstperiode een Stormmeeuw met lichte iris waar op het ijs van de Singel in Woerden. Het betrof een adulte vogel in winterkleed.

Stormmeeuw, Woerden, 17 januari 2013

Een lichte iris wordt vaak gebruikt als determinatiekenmerk van Ringsnavelmeeuw versus Stormmeeuw, maar minder bekend is dat ook Stormmeeuwen een lichte iris kunnen vertonen. Het fijne snaveltje met vervagende band op de bovensnavel, de donkere kleur van de mantel en de brede witte tertialboog sluiten Ringsnavelmeeuw uit.

Stormmeeuwen hebben normaliter een donker oog, dat onder invloed van lichtomstandigheden lichter kan lijken. Vogels met echt lichte ogen zijn echter zeldzaam (Van Duivendijk 2010) en op bijvoorbeeld Waarneming.nl zijn dan ook slechts enkele van zulke vogels te vinden. Groot Koerkamp (1987) en Vaughan (1991) maken ook melding van lichtogige adult winter Stormmeeuwen, in respectievelijk Deventer en Essex.

Oostelijke Stormmeeuwen hebben vaker een lichte iris en dit kenmerk kan dan ook een aanwijzing zijn voor Russische Stormmeeuw heinei; in het veld is deze ondersoort echter nauwelijks met zekerheid te determineren (Dutch Birding 17: 72). Naast Russische Stormmeeuw hebben ook Amerikaanse Stormmeeuw brachyrhynchos en Kamtsjatkastormmeeuw kamtschatschensis regelmatig een lichte iris (Van Duivendijk 2010, Alfrey & Ahmad 2007, Shepherd & Votier 1993). Onze canus lijkt van de vier ondersoorten dus de Stormmeeuw te zijn waarbij een lichte iris het minst voorkomt: wederom een interessant staaltje van variatie onder meeuwen!

Literatuur

Alfrey, P. & Ahmad, M. (2007). Short-billed Gull on Terceira, Azores, in February-March 2003 and identification of the ‘Mew Gull complex’. Dutch Birding 29: 201-212.

van Duivendijk, N. (2010). Advanced Bird ID Guide. New Holland, Londen.

Groot Koerkamp, G. (1987). Common Gull with a pale iris. British Birds 80: 628-629.

Shepherd, K.B. & Votier, S.C. (1993). Common Gull showing characters apparently consistent with North American race. British Birds 86: 220-223.

Vaughan, H. (1991). Common Gulls with pale irides. British Birds 84: 342.

Stormmeeuw, Woerden, 17 januari 2013

De Kleinst Waterhoenders van 2009

In 2009 broedden er Kleinst Waterhoenders in de Groene Jonker nabij de Nieuwkoopse Plassen. De vogels lieten zich tijdens hun verblijf geweldig zien aan een groot publiek, iets dat bij deze soort nog nooit vertoond was. Voor velen vormde deze waarneming het ornithologisch hoogtepunt van het jaar en voor mij persoonlijk was het zelfs één van mijn all time favorieten – omdat we op slechts een kwartier rijden wonen, hebben we de vogels menigmaal bezocht.

Mannetje Kleinst Waterhoen
Mannetje Kleinst Waterhoen

Met mijn broer Robert heb ik na afloop op verzoek van Waarneming.nl een verslag over dit bijzondere broedgeval geschreven. Waarneming.nl heeft dit rapport vervolgens aan gebiedsbeheerder Natuurmonumenten aangeboden als dank voor de gastvrijheid en de goede samenwerking na de ontdekking van de Kleinst Waterhoenders in het gebied.

Een bewerking van dit verslag is gepubliceerd in het toonaangevende tijdschrift Dutch Birding: van der Meer, F., van der Meer, R. & Ebels, E.B. (2010). Twee broedgevallen van Kleinst Waterhoen in Zuid-Holland in zomer 2009. Dutch Birding 32: 106-115.

Vrouwtje Kleinst Waterhoen
Vrouwtje Kleinst Waterhoen

Digitaal zeldzaamheden ontdekken

Je hoeft niet naar buiten om een zeldzame soort te ontdekken. Daar zijn mijn broer Robert en ik wel achtergekomen sinds we vogeladmin bij Waarneming.nl zijn. Al meerdere malen kwamen we tijdens het checken van de ingevoerde waarnemingen een erg goede soort tegen die was ingevoerd als algemene soort of “Vogel onbekend”.

Zo kwam er op de avond van 28 augustus 2012 een gekke strandloper op het strand bij Meijendel voorbij die ingevoerd was als Kleine Strandloper. De determinatie als Bairds Strandloper was vervolgens eenvoudig door de combinatie van zwarte poten, vrij korte en rechte snavel, een handpenprojectie van ca. 100%, de brede witte veerranden op de mantel en de bruin gekleurde borstband en kop, contrasterend met de bovendelen.

Via een forumbericht ging het balletje rollen en groot was de verbazing toen de vogel de volgende dag nog aanwezig bleek. De foto hieronder heb ik weer een dag later zelf gemaakt tijdens een bezoek aan de vogel. Erg vermakelijk om je eigen ontdekking te twitchen!

Bairds Strandloper groot

Ik begrijp dat het voor sommigen discutabel is om dit soort ‘ontdekkingen’ als eigen vondst te tellen, maar ik zie het gewoon als een aparte categorie van eigen ontdekkingen. Tot op heden heb ik deze Amerikaanse steltloper nog niet overtroffen met een veldontdekking. Na de Bairds Strandloper volgde een paar weken later wel weer een digitale ontdekking, van een Bosgors bij Naarden, en dit jaar kwam daar een Slangenarend in de Groene Jonker bij. Robert heeft op deze wijze al onder meer een Steppekiekendief, 2 Roodpootvalken en een Grauwe Gors ‘ontdekt’. Het kan dus lonen om bijvoorbeeld in april intensief groepen wintertalingen af te kijken, niet alleen in het veld maar ook op internet..! Veel succes!

Determinatie van Sneeuwganzen

Sneeuwgans is één van de zeldzame soorten waar de meeste determinatiefouten mee gemaakt worden – overigens ook door ervaren vogelaars – blijkens de vele foto’s van vnl. allerlei vage hybriden die als Sneeuwgans worden gedetermineerd. Met name bij de blauwe kleurvorm gaat het vaak mis. Ik heb daarom vorige winter op het forum van Waarneming.nl een topic gewijd aan de determinatieproblematiek van witte en (vooral) blauwe Sneeuwganzen.

Adulte Sneeuwgans van de witte vorm, Streefkerk, 26 februari 2012 (foto: Robert van der Meer).

A tale/tail of cormorants

Het onderscheid tussen Aalscholver en Kuifaalscholver is in de meeste gevallen vrij ‘straightforward’. Een diagnostisch kenmerk dat niet bij iedereen bekend zal zijn en bovendien bij veel veldwaarnemingen onbruikbaar is, zijn de 14 staartveren bij Aalscholver tegenover maar 12 bij Kuifaalscholver (Van Duivendijk, 2010). Op foto’s is dit kenmerk soms echter opvallend goed te beoordelen en te vergelijken, zoals hieronder op de foto’s van Hans Niekus en Peter Soer (op de foto klikken om naar de waarneming te gaan). Een functie van dit verschil in aantal staartpennen is mij niet bekend, maar feit is wel dat Aalscholver en Kuifaalscholver, hoewel het beide Phalacrocorax-soorten zijn, in verschillende subfamilies en fylogenetische groepen ingedeeld worden.

Adulte Aalscholver: 14 staartpennen (foto: Hans Niekus)
1kj Kuifaalscholver: 12 staartpennen (foto: Peter Soer)

Literatuur

Van Duivendijk, N. (2010). Advanced Bird ID Guide. New Holland, Londen.